REMBRANDT'S DAUGHTERS, PARADE OF THE 5 CORNELIA'S

REMBRANDT'S  DAUGHTERS,  PARADE OF THE 5 CORNELIA'S In Grandcafe AMSTERDAM te Oslo, oil/ canvas 360-150 cm OLGAWIESE.COM

In Grandcafe AMSTERDAM te Oslo, oil/ canvas 360-150 cm

REMBRANDT'S DAUGHTERS IN KUNSTHAL GRONINGEN

De vijf Cornelia's ontroerd door het kneuzenlied

De lamme helpt de blinde met het oog op zijn gebrek, de blinde op zijn beurt kalmeert de dolgedraaide gek, die schreeuwt tegen de dove in woord en in gebaar, de dove luistert met zijn ogen en zo begrijpen zij elkaar en ik voel me gelukkig als ik naar die stumpers kijk, want in het rijk der kneuzen zijn we allemaal gelijk, in het rijk der kneuzen zijn wij allemaal gelijk.

De stotteraar stottert zich een weg door zijn bestaan, de stomme hoort dat met gepaste eerbied zwijgend aan en ondersteunt hem harmonieus op mondharmonica, zodat zelfs ik, de meest gestoorde hier, het ook versta en zo voel ik mij gelukkig als ik naar die stumpers kijk, want in het rijk der kneuzen zijn we allemaal gelijk, in het rijk der kneuzen zijn we allemaal gelijk.

Ergens in mijn ooghoek zie ik een schaduwwereld, het parallelle universum van de kneus, de opgewekte ploeteraar, hij koestert daar zijn lot en heus, hij houdt zich dapper staande, hij overwint er glorieus. Soms wanneer ik zin heb, dan wijk ik uit naar deze plek en dan zie ik ze naar me kijken met zo'n blik van die is gek, omdat ze weten dat ik ze na verloop van tijd toch weer verlaat en terug ga naar mijn eigen rijk, waar alles anders gaat. Tot dat ik het daar niet meer volhoud en weer vanuit mijn ooghoek kijk naar het rijk de kneuzen, want daar is iedereen gelijk. In het rijk der kneuzen zijn wij allemaal gelijk, in het rijk der kneuzen zijn wij kneuzen stinkend rijk. Arno van der Heyden.

en verder

Meesterwerk Wat nu de Saul van Rembrandt betreft, mij ontbreekt het wel eens aan een tulband en iemand die harp of harpsichord speelt, aan een scepter en een bescheiden gordijn waarmee ik tranen kan drogen. Jan Emmens.

TWEE PAUWEN Al stak je vroeger met z'n beiden Elkaar voortdurend naar de kroon En riep je elk op hoge toon Dat je jezelf kon onderscheiden Door trots je veren uit te spreiden En leek dat telkens wonderschoon, Toch zien wij dat je doodgewoon En lelijk kwam te overlijden. En ondanks al je geldingsdrang Ben jij inmiddels eeuwenlang Alleen maar wijd en zijd bekend Omdat je in je ondergang Net als je dode concurrent Met meesterhand geschilderd bent. Driek van Wissen

'IK HEB HET ROOD VAN 'T JOODSE BRUIDJE LIEF' ...het broderietje kruipik over, 't kuise blozende vergood ik, schroomvol ruisende de rode gewaden als bijna-dode wingerdbladen om haar heen, een ruif is zij mijn haverkist, mijn stoof en suikering, de kozende struise, een struikje broos, ik heb mijn hand op dit broodje gelegd – de ruiker van haar konen rozen, zij is het blote fruit aan mij geopend, ruigte van het toegestane, schoon ontluiken in hoofs genegenzijn, o vroon beschuitje, boterschaapje, vlam van dromerig verpozen en de roze handen, roomsoezige blankte schuilend onder inkarnate korenschoof van 't grootse bruidje, en ik gouden man heb lief dit alleen aan de dood te verliezene, glorende duifje. Anneke Brassinga

WAT ZIJ BEDOELEN Schilders schilderen wanneer zij 't kunnen 't engelgezicht van wie zij beminnen maar ik die niet schilder wat moet ik beginnen In lied in muziekklinken tonen van liefde die 't luisterend oor van beminden bekoren maar ik die niet speel kan mij niet laten horen Anderen zijn er die fijn kunnen spreken en schalks en levendig wat zij bedoelen kunnen vertellen ik kan 't alleen voelen Want mij werd tot nu toe het lot slechts beschoren om ver van je weg en in somber verlangen met onzichtbare draden aan je beeltenis te hangen. Jan Hanlo

(uit Twintig nieuwe gedichten naar de oude meester).



info@kunsthal-groningen.nl